KLIM 58: Leer en Klim

Techniek en tactiek voor de beginnende klimmer

Techniek is hoe je beweegt. Tactiek is hoe je kiest. Hieronder staan de aandachtspunten die de bond aan beginnende klimmers meegeeft.

Techniek in de woorden van de bond

Geen handleiding

Dit is geen handleiding en geen reglement. Wat hier staat zijn de aandachtspunten van de NKBV, de Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging. De bond geeft ze zelf aan beginnende klimmers mee in het cursusboekje en in de handleiding voor instructeurs. Het is geen trainingsschema en het gaat nergens over het touw. Doet je instructeur of je hal het anders, volg dan je instructeur of je hal.

Wat de cursus niet doet

De bond is er duidelijk over: de cursus Indoor Toprope besteedt geen of minimale aandacht aan techniek en training. De cursus gaat over veilig klimmen en zekeren. Techniek bouw je daarna zelf op. Het algemene advies van de bond daarbij is kort: vooral veel klimmen. Wie meer wil kan een techniek- en tactiektraining volgen, in de hal vaak afgekort tot TTT. Zodra je aandacht verder reikt dan het zekeren gebruikt je instructeur in de cursus wel spelvormen en kleine oefeningen. Die staan niet in deze pagina, die krijg je in de hal.

Waarom dan toch deze pagina? Techniek is bij klimmen geen luxe. Het is de reden dat je minder snel moe wordt en steeds moeilijkere routes kunt klimmen. Wie de punten hieronder kent herkent ze als de instructeur ze noemt.

De uitgangshouding

Vier steunpunten

In de uitgangshouding heb je vier steunpunten aan de wand: twee handen en twee voeten. Vanuit die houding begint elke beweging en naar die houding keer je terug. Je staat zo veel mogelijk rechtop, dus niet hangend aan je handen met je achterwerk naar achteren. Je kleeft ook niet tegen de wand. Je houdt wat afstand zodat je voorlangs naar je voeten kunt kijken.

Een klimmer als silhouet aan de wand in de uitgangshouding, met de aandachtspunten van de bond erbij: vier steunpunten, op de tenen met de hiel iets omlaag, het zwaartepunt tussen de benen, de armen gestrekt en wat afstand tot de wand

De drie fouten die de bond noemt

De handleiding van de bond noemt drie veelgemaakte fouten in de uitgangshouding. De klimmer hangt te veel aan zijn handen. De klimmer hangt met het achterwerk naar achteren. En de klimmer staat met het bovenlijf te dicht bij de wand. Alle drie kosten ze kracht in de armen. Je ziet ze bij bijna iedereen die voor het eerst klimt. Daar is niets erg aan, want juist dit leert je instructeur je af.

Voeten en benen

Op je tenen

Je staat op je tenen met de hielen iets omlaag, en je beenspieren brengen je omhoog. Dat is de kern van de voetentechniek van de bond. Je voeten staan met de tenen naar voren op de trede, de greep voor je voet. Past dat niet, dan plaats je de binnenkant van je grote teen op de trede. Je armen houden je in balans. Het omhoog komen doen je benen.

Wat je ziet misgaan

De bond noemt ook hier de fouten. De hielen staan omhoog, of de klimmer staat met de bal of de hak van de voet op een greep. Een derde fout is de binnenkant van de hele voet op een greep zetten. Het gevolg is telkens hetzelfde: de voet kan wegglijden en de armen moeten het overnemen.

Kleine stappen

Tijdens het klimmen maak je kleine stappen en kijk je waar je gaat staan. Een kleine stap houdt je in balans. Een grote stap trekt je uit je houding. Je kijkt naar de voet die je verplaatst tot hij staat, en pas daarna naar de volgende greep.

Handen, armen en de grepen

Gestrekte armen

Je klimt met gestrekte armen en verplaatst één hand of voet tegelijk. Een gestrekte arm hangt aan de greep en kost weinig kracht. Een gebogen arm houdt je vast en wordt moe. Klimmen doe je met je benen. Je armen zijn er om vast te houden.

Vier grepen

Een greep kun je op vier manieren pakken. Een bovengreep pak je van boven en een ondergreep van onderen. Een zijgreep pak je van opzij en een knijpgreep klem je tussen duim en vingers. De vorm van de greep bepaalt welke het wordt. De bond adviseert een greep met zo veel mogelijk vingers te pakken en je duim erbij te zetten. Die duim zet je tegen de greep of tegen je vingers. Volgens de bond raak je daardoor minder snel geblesseerd.

Tendu en arqué

Je vingers kun je op twee manieren belasten. Pak je een greep met afhangende vingers, dan heet dat tendu, in het Nederlands hangend. Dat is weinig belastend voor je vingers. Pak je hem met opstaande vingers en de knokkels omhoog, dan heet dat arqué, in het Nederlands gebogen. Daar komt veel meer spanning op je vingers en dus meer kans op een blessure. Als beginner trek je daarom niet hard aan een greep die je arqué pakt. Is arqué niet te vermijden, dan gebruik je je duim als ondersteuning. Je zorgt dat je vingers warm zijn en je doet het niet te vaak. De bond zegt ook waarom. Spieren passen zich snel aan een nieuwe belasting aan, maar pezen en banden doen daar veel langer over. Bij beginners uit zich dat als eerste in de vingers.

Balans en de klimbeweging

Eén tegelijk

Je verplaatst één hand of voet tegelijk en maakt die verplaatsing af voordat je de volgende begint. Zo sta je altijd op drie punten en val je niet uit balans. Je zwaartepunt houd je tussen je benen of boven de voet waarop je staat, je standbeen. Soms moet juist die voet verplaatsen. Dan steun je met de hand aan dezelfde kant tegen de wand of een greep.

De volgorde van de klimbeweging

Je instructeur leert je de klimbeweging zoals de bond hem beschrijft. Vanuit de uitgangshouding komen eerst beide voeten hoger en dan strek je je benen. Pas daarna gaan je handen hoger, zodat je weer met gestrekte armen staat. De veelgemaakte fout is de omgekeerde volgorde: hoog pakken en jezelf optrekken. Dat gaat één route goed en daarna niet meer.

Rustig en beheerst

Wie rustig en beheerst klimt verliest minder snel zijn evenwicht. Een beweging die je inzet voordat je in balans staat moet je met kracht herstellen. Rustig klimmen geeft je bovendien tijd om de volgende greep te zien.

Slim klimmen

Techniek is hoe je beweegt. Tactiek is hoe je kiest: welke route, in welke volgorde, en wat je doet als het moeilijk wordt. Ook hier geldt: dit is geen handleiding en geen reglement. Het zijn in eigen woorden de aandachtspunten die de NKBV aan beginnende klimmers meegeeft. Doet je instructeur het anders, volg dan je instructeur.

De route lezen

Kijk voordat je begint

Kijk voordat je begint hoe de route loopt. Je kijkt waar de grote grepen zitten en waar je voeten komen. Je ziet ook welke greep je het best als bovengreep pakt en welke als zijgreep. Onder aan de wand zie je dat rustiger dan halverwege. Dat kijken kost een halve minuut en spaart je kracht. Wie weet waar hij heen gaat aarzelt minder.

Kies een route die bij je past

Voor een beginner raadt de bond een rechte of licht hellende wand aan met een korte klimlengte en veel grote grepen. In zo’n route zitten zo weinig mogelijk grepen die je arqué moet pakken. Welke graden daarbij horen las je op de pagina De graden. Een route die je haalt leert je meer dan een route waar je uit valt.

Klimmen op kleur

In de meeste hallen herken je een route aan de kleur van de grepen. Beginners klimmen eerst met alle kleuren door elkaar. Dat adviseert de bond ook aan instructeurs. Klim je daarna “op kleur”, dan geldt het spel van het vrijklimmen. Je gebruikt alleen de grepen van jouw route en je gebruikt de haken in de wand niet met je handen of voeten. Je gebruikt ook geen steun van het touw. Mag je de zijkant van de wand niet gebruiken, dan staat dat aangegeven.

Dat spel maakt dat een graad voor iedereen hetzelfde betekent. Niemand controleert het; het is een afspraak tussen klimmers.

Je sessie opbouwen

Een slimme klimmer begint makkelijk. De bond adviseert eerst algemeen op te warmen in een rustig tempo en daarna in te klimmen. Je begint eenvoudig, ook als je een zware route kunt klimmen. Onderaan klim je aan grote grepen van de ene kant naar de andere. Je sluit af met twee of drie makkelijke routes en rekt de spieren die je het meest hebt gebruikt.

Neem pijn serieus

Bij klimmen ontstaan blessures vooral aan schouders, ellebogen en vingers. Meestal ontstaan ze geleidelijk. Voel je na het klimmen een andere pijn dan gewone spierpijn, pas dan meteen je belasting aan. Dat is tactiek op de lange termijn: wie blessurevrij blijft, kan blijven klimmen.

Angst, moe worden en het einde van de route

Omgaan met angst

Angst is een normale reactie in een onbekende situatie. De bond noemt het zelf: als je begint met klimmen is het normaal dat je af en toe angstig bent. Houdt de angst voor het vallen je tegen, dan kun je met je instructeur proefhangen in het touw. Je kunt ook oefenen met een back-up zekeraar. In overleg met je instructeur kun je kleine vallen oefenen.

Het einde van de route

Een route eindigt bij de laatste greep. Bij toprope klim je niet voorbij het einde van de route en niet boven het omlooppunt. Je zekeraar wijst je erop als je dat toch doet. Bij boulderen klim je niet hoger dan de markering van de hal, en je klimt af in plaats van af te springen. Zo doet Climbing Network het bijvoorbeeld. Word je moe, dan hoef je een route niet af te maken. Hoe je dan in het touw gaat hangen leer je in de cursus.

Wil je meer dan alleen deze pagina?

Deze pagina legt één onderdeel van de klimhal uit. De cursus Wegwijs in de klimhal legt alles uit in twaalf lessen, met 136 vragen met uitleg en een memokaart per les. Zo ken je de woorden, de regels en het waarom voordat je de hal in gaat.

Zestien sporten, dezelfde aanpak

Klik op een sport voor de regels, de techniek en de tactiek van die sport.